3 t/m 5 december 2021
Eigenlijk hadden we een écht avontuurlijk tripje gepland naar de binnenlanden van Suriname. Maar vanwege mijn toen nog kwakkelende gezondheid hebben we voor een gerieflijker alternatief gekozen: een huisje huren in district Commewijne en van daaruit wat uitstapjes maken.
Commewijne ligt aan de andere kant van de Suriname rivier ten oosten en noordoosten van Paramaribo. Het is te bereiken met de auto via de “Jules Wijdenboschbrug” of met kleine bootjes die vertrekken vanaf één van de vele aanlegsteigers in Paramaribo.
Eerst dachten we dat er ook nog een zogenoemde “platte brug” zou zijn, gelegen vlak bij de Knuffelsgracht aan De Waterkant. Maar dat bleek dus ook gewoon een aanlegsteiger te zijn. Wellicht is die benaming het gevolg van de controverse rond de bouw van de “Bosjesbrug”.

Die kolossale boogbrug was destijds namelijk een prestigeproject van de toenmalige president Wijdenbosch en de kosten voor de bouw waren enorm: Het trok decennia erna een enorme wissel op ’s Lands financiën. In 2014 bleek ook nog eens dat de brug best wat goedkoper had kunnen zijn, ware het niet dat Ballast Nedam 34 miljoen gulden aan steekpenningen had betaald aan Wijdenbosch en zijn adviseur Desi Bouterse.
Bovendien bleken bij oplevering, vlak voor de verkiezingen in 2000, de wegen in het geheel niet toegerust te zijn op de toename van het verkeer. Ook nu staat er het grootste deel van de dag nog een langzaam rijdende file op één van de beide rijbanen. Die brug gingen wij dus niet op.
Wij kozen voor Leonsberg, een aanlegsteiger in Noord-Paramaribo. Het ritje met de taxi ernaartoe over de Anton Dragtenweg voerde ons langs de ene protserige villa na de andere, waaronder die van ’s Neerlands ambassadeur. Ook loopt die route langs het wooncomplex van Bouterse, dat –ver van de openbare weg gelegen– was omringd door prikkeldraad, wachthuisjes en uitkijktorens.
Toch was die strenge beveiliging blijkbaar niet genoeg om een inbraak te voorkomen, want in juni 2021 waren inbrekers erin geslaagd om daar een vrachtwagenlading zware wapens te stelen. Dat er daar überhaupt zoveel wapens lagen opgeslagen, was omdat Bouterse het onverstandig vond om alle wapens van Suriname op één plek te bewaren. Het was het hem gewoonweg ontschoten dat te melden toen hij geen president meer was.
Bij de aanlegsteiger van Leonsberg lag al een klein bootje te wachten. Zo’n bootje, dat plaats biedt aan zo’n 10 personen, vertrekt pas als hij redelijk gevuld is met passagiers, brommertjes of dierlijke have, hetgeen in de loop van een half uurtje geschiedde. Ons eerste boottochtje en we vonden het reuze-spannend.

Het boottochtje duurde voor ons niet langer dan 5 minuten. De meeste passagiers bleven aan boord. We zouden bij onze landingsplaats, wederom een klein steigertje, worden opgepikt door Ronny, de verhuurder van ons nieuwe, tijdelijke verblijf. Maar Jess en ik konden onze nieuwsgierigheid niet bedwingen en gingen de buurt verkennen. Waardoor het Ronny vervolgens een half uur rondrijden kostte om ons te vinden.

Bij huisje “Moi Misi” wachtte Anneriek, de partner van Ronny, ons op met een overheerlijke vruchtencocktail in een enorm glas: zo jammie! Daarna een rondleiding in het ultra-cute huisje dat zij zelf hebben ontworpen en voor het grootste deel ook zelf hebben gebouwd: subtiel en toch riant.
Ronny en Anneriek zijn overigens volop met creatieve uitingen in de weer, zoals cello’s en gitaren bouwen (Ronny), schilderen (Annemiek) en allerlei groentes en fruit verbouwen, die je dan bij ontbijt, lunch en avondeten krijgt geserveerd. Ze nemen bovendien deel aan allerlei mooie initiatieven voor de Marron gemeenschap, zoals een museum in Pikin Slee over hun cultuur en geschiedenis. Waarvoor de regering bij de opening vervolgens alle eer claimde, zonder er ooit aan te hebben bijgedragen.

Ronny en Anneriek hadden voor ons ook een boot-tripje geregeld door de moerassen in het noorden aan de overzijde van de Commewijne Rivier. Dat zou onze eerste ervaring met de woeste natuur van Suriname betekenen. Woest, ontoegankelijk als je het gebied niet kent, boordevol prachtige vogels en toch dreef er overal (plastic) afval rond. Toen viel ons dat nog op, maar na een paar maanden werden we nagenoeg blind voor de gigantische hoeveelheid zwerfafval, dat in Suriname gewoon overal wordt gedumpt.
Nou goed, terug naar het idyllische toeristische plaatje: Het was een prachtige tocht. Heel veel indrukwekkende vogelsoorten gezien: witte reuzenreigers (in Suriname komen zo’n beetje alle dieren voor in gewoon én reuze formaat), Toekans, IJsvogels, Witte Visarenden, Zwaluwstaartwouwen enne… euh… nog veel meer prachtvogels waarvan ik de naam niet (meer) weet. En ongelooflijk veel Zwarte Gieren. Wisten we toen nog niet, maar die zijn in Suriname even talrijk als Kauwtjes in Nederland.
Leuke verrassing van het boottochtje was dat we voor de lunch aanmeerden in het allernoordelijkste deel van Commewijne. Na een korte wandeling stonden we plots aan de Atlantische Oceaan. Heerlijk strandje maar geen mens te zien. Alleen wederom: Heel veel Zwarte Gieren.

Teruggekeerd meerden we aan bij een basisschooltje, waarvan we op de heenweg nog hadden gezegd: “Jammer, in deze bouwval wordt vast al jaren geen les meer gegeven”. De bootsman vertelde ons echter dat zijn zoon daar gewoon dagelijks naar school ging. Toen werd het Jessica wel duidelijk dat de school waarop zij werkt, voor weliswaar Nederlandse begrippen uiterst primitief is, maar voor de Surinaamse een topschool is.
De volgende dag barstte er een onbedaarlijke regenbui los waardoor we van onze fietstocht naar suikerplantage Mariënburg en (ex-)koffieplantage Leliendaal moesten afzien. Maar het alternatief, een beetje tori-praten en genieten van de omgeving en het onstuimige weer vanaf ons balkonnetje, was absoluut geen straf. Na een paar uur brak de zon weer door en kregen we onverwachtse buren: Een bende Zwarte Gieren, die op paaltjes rondom een weiland hun veren kwamen drogen.
Op de derde dag werden we door Ronny weer bij de aanlegsteiger afgeleverd en gingen we met eenzelfde bootje terug naar Leonsberg. Daar aangekomen raakten we in gesprek met een Nederlandse expert op het gebied van koffiegewassen. Hij was al drie maanden aan het onderzoeken of het verbouwen ervan weer rendabel zou kunnen zijn, maar had zijn conclusie al lang getrokken: grond én klimaat ongeschikt. Daar wilden zijn Surinaamse opdrachtgevers niet van horen. Dus ging hij die dag nóg maar weer eens een onderzoekje verrichten.
Snap ik helemaal. ‘T is best wel fijn in Suriname.