Possen

Ofwel betalen met een pinpas.  Dat kan hier dus vrijwel nergens.  En daarom begint voor velen de dag met een gang naar een pinautomaat, in de hoop dat de rij dan nog niet zo lang zal zijn.  Bovendien zijn veel van die apparaten in de middag simpelweg leeg gepind, iets waar ik eerst ook nog aan moest wennen.  

Want dat betekent een lange zoektocht langs een hele batterij pinautomaten voordat je er ééntje vindt waar nog flappen uit zijn te tappen.  En voor die enkele die nog geld in hun binnenste hebben, staat steevast een rij van-heb-ik-jou-daar: sta je zomaar langer dan een uur in de rij.

Dit lees ik in de brandende zon vanuit een lange rij. En dan ben ik nog één van de jongsten!

En onderwijl maar stilletjes hopen dat zo’n apparaat nog genoeg biljetten herbergt om de geldhonger van mijn voorgangers én die van mij te kunnen stillen.  Vooral als de rij voor mij nog maar uit een handvol wachtenden bestaat, wordt het spannend.  

Mijn hart begint prompt harder te bonzen, als iemand twee keer achter elkaar pint: het maximum per keer is namelijk SRD 2000, zo’n €80.  Algeheel gemor stijgt dan ook op uit de rij.  En iemand die voor een derde keer zijn/haar kaart in de gleuf duwt, kan zelfs rekenen op een luidruchtig misprijzen!

Gelukkig is instant slachtofferhulp gegarandeerd, indien de ATM leeg raakt voordat je aan de buurt bent: “we” troosten elkaar namelijk!  Overigens zonder prijs te geven op welke volgende pinautomaat je je zinnen hebt gezet, want we zijn immers ook concurrenten.

Met m’n fietsje heb ik  een ruime voorsprong, want de rest van de geldzuchtigen moet zich eerst in hun SUVjes persen en staan vervolgens in de file om van het parkeerterrein af te komen.  Maar weldra zoeven ze mij voorbij, al is hun snelheid van korte duur: de wegen zijn hier overvol (waar gaan al die mensen de hele dag toch naartoe, vraag ik me af) en bij elk kruispunt wurm ik me aan de linkerkant, soms in de berm, fluitend langs de stil gevallen karavaan concurrenten. 

Uiteindelijk haal ik mijn buit telkens weer binnen en onderwijl heb ik de straten en buurten van Paramaribo meteen goed leren kennen.

En tegenwoordig ga ik er al vroeg op uit. Wat twee keren een flinke misrekening bleek: ik stond er om 8 uur en pas om 11 uur werden de pinautomaten bijgevuld.  Er kwamen wel een paar keer van die zwaar gepantserde geldwagens langs, waarop een ingehouden gejuich uit de rij opging, maar die vertrokken eigenlijk meteen weer.  Ook zonder gevuld te zijn met guldens, zoals de Surinaamse Dollar hier ook wordt genoemd, maken die auto’s blijkbaar hun vaste ronde.  

De lange rij voor de DSB bank omdat er nog geen cash geld is bezorgd

Wel schoof ik langzamerhand verder naar voren op, omdat velen het voor gezien hielden.  Waardoor ik alleen maar vastberadener werd om te blijven staan: het zou me toch niet gebeuren dat ik, eenmaal vooraan in de rij gekomen te zijn, al weglopende het groene knipperlicht van de zojuist werkende ATM op zou zien lichten.

De rij kent ook steevast flinke gaten, want je gaat alleen staan op plekken waar je beschut bent tegen de zon. Als een “slimmerd“, zich naïef voordoend, in zo’n gat duikt, zijn de rapen gaar.  Een vlammende ruzie is het gevolg, die bijna in een lijfelijk treffen lijkt uit te monden.  Maar dat gebeurt nooit.  Heb ik in zo’n rij geleerd: elke ruzie los je hier op door op een gegeven moment grapjes met elkaar te maken, waarna men ogenschijnlijk de beste en hartelijkste vrindjes is.

Toch was dat lange wachten zelden een straf, want ik ben daar getuige van de meest opmerkelijke voorvallen.  Het hele maatschappelijke leven van Paramaribo ontvouwt zich daar voor mij, zeg maar: wilde discussies over de politiek, Covid-19, de inflatie en over tante Iso, wiens bakkeljauw lekkerder schijnt te zijn dan die van tante Asha.  Informatiever dan alle Suri-kranten bij elkaar.  Je moet wel keihard praten, want vanuit allerlei kanten dendert uit langsrijdende auto’s snoeiharde muziek over je heen.

Op de één of andere manier sprong ik er altijd nogal uit, in de rij. Terwijl ik toch zo native als mogelijk probeerde te kijken.  Iets met “bakra”, of zo. Hoe dan ook, er ontfermden zich altijd wel een aantal mensen over mij en voorzagen mij van goede raad, tips en unieke investeringsmogelijkheden.  Zo heb ik wel tien verschillende versies gehoord over waarom het zo mis aan het gaan is in Suriname, allen even plausibel maar toch niet verenigbaar.

En als ik pech had, kwam ik naast iemand te staan met een uitgesproken mening over de aard van de Surinamer.  Het voelt namelijk enigszins ongemakkelijk als zo iemand met luide stem beweert, dat racisme hier niet bestaat om vervolgens over alle andere bevolkingsgroepen zijn vuil te spuien.  Dat probeerde ik dan maar stuntelig te relativeren, terwijl ik angstig om me heen keek of men wel hoorde dat ik zelf ècht niet zo (over hen) denk.

In theorie hoef je overigens niet uit te drogen of zelfs te verhongeren in zo’n rij van enkele uren voor een pinautomaat, want zo’n massa mensen trekt een hele horde straatverkopers aan.  Die vervolgens niets verkopen, want tja… we staan juist in die rij omdat we geen geld hebben.

De straatverkopers zijn niet de enigen die economisch bot vangen.  Het kan niet anders zijn dat dat de economie ernstige schade ondervindt als half Paramaribo de ochtend vruchteloos in de rij of in de file staat.  Wellicht dat het in vergelijking met de overige problemen in Suriname in het niet valt.  Het alom tegenwoordige nepotisme en politiek opportunisme, waardoor er 50.000 spookambtenaren en spook-werknemers zijn, maakt het bedrijven en instellingen vrijwel onmogelijk om de kosten kunnen dragen.

De Vooruitgang in beeld op (nog wel) De Anton de Komstraat

Plofkraken heb je hier niet, da’s dan weer een voordeel: òf er staat een massa mensen voor òf ze zijn leeg.  Maar ik sta er wel van te kijken hoe schrikbarend hoog de opbrengst van straatroof en inbraken hier veelal zijn: veel mensen potten hun geld thuis op om die rijen te kunnen vermijden.  En dat overkomt juist niet de E-people, de rijken; die kunnen het zich veroorloven om zich goed te laten beveiligen.  Dat soort misdaad heeft dan ook levensverwoestende gevolgen.  

En de armoede is hier toch al zo groot, de inflatie al zo astronomisch (het afgelopen jaar 69,5%), de vooruitzichten zo slecht, de politiek zo hardleers en de hoop zo vluchtig.  Dat dit land nog draaiende wordt gehouden, komt uitsluitend door de vele mensjes, die hardnekkig door blijven ploeteren, zich nèt het hoofd boven water wetende te houden en dan nòg een helpende hand uitreiken aan hen die het nòg moeilijker hebben.  Dat Suriname zie ik terug in het volkslied en dat Suriname heeft ons hart gestolen.

Opo kondreman un’ opo!
Sranangron e kari un,
Hoe wij hier ook samen kwamen,
Aan zijn grond zijn wij verpand,
Werkend houden w’in gedachten,
Recht en waarheid maken vrij,
Al wat goed is te betrachten,
Dat geeft aan ons land waardij.

PS: het moge jullie zijn opgevallen dat ik mijn berichtjes luchtig begin en zwaarmoedig eindig.  Dat gaat eigenlijk vanzelf, want ik kan mij er gewoonweg niet aan onttrekken.  Dit land heeft zoveel te bieden en slaagt er bizar genoeg niet in om die belofte waar te maken.  Maar dit laat onverlet dat Jess en ik hier onvoorstelbaar gelukkig zijn: die mooie avonturen komen spoedig ook aan bod.

6 thoughts on “Possen”

  1. Ja, prachtig geschreven Chris.
    Zoals je weet ben ik zelf ook in Suriname geweest, maar de rijen bij de Pin had je toen nog niet. Dan praat ik over 2 jaar geleden. Opmerkelijk. Verder heel herkenbaar allemaal, geweldig land…
    Geniet er van !!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *